Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen

Verscholen in een loods achter de grijze blokken van de Sterre ligt het Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen. Het Museum waakt over de spectaculaire collectie van 5000 instrumenten die de wetenschappers van de Gentse universiteit verzamelden of ontwierpen voor hun onderzoek of onderwijs. Het is een historische verzameling herinneringen aan tweehonderd jaar wetenschapsgeschiedenis: van portretten, bloemmodellen en bliksemopwekkers tot aan de eerste computers en deeltjesversnellers.

Physique amusante

De eerste instrumenten zijn nochtans niet ontworpen om wetenschappelijke experimenten uit te voeren. Handige geleerdentechnici bouwen in de zestiende eeuw instrumenten voor plaatsbepaling en tijdrekening. De volgende eeuwen hangt de ontwikkeling van de instrumenten nauw samen met technologische uitvindingen en toepassingen in bijvoorbeeld de optica. In de achttiende eeuw wekken de instrumenten, net als het planten- en dierenrijk trouwens, de belangstelling op van de nieuwe burgerij. De rijke liefhebbers stichten genootschappen en maatschappijen die balanceren op het kruispunt van wetenschap, technologie en ontspanning. Vooral de elektrische fenomenen kunnen er op veel bijval rekenen en met ‘elektriseermachines’ worden allerlei trucjes uitgevoerd, maar ook wetenschappelijke en wiskundige modellen getoetst. Een belangrijk neveneffect van de activiteiten van de genootschappen is dat instrumentenbouwers gestimuleerd worden meer, betere en meer nauwkeurige instrumenten te ontwerpen.

Van leszaal naar laboratorium

Dat het even duurt vooraleer de universiteiten interesse tonen in de instrumenten is niet zo verwonderlijk: pas in de loop van de negentiende eeuw nemen ze hun rol als onderzoekscentra op en vullen ze het theoretisch onderwijs aan met praktijkoefeningen en wetenschappelijk onderzoek. In de Nederlanden betekent de beslissing van Willem I dat alle universiteiten een wetenschappelijk instrumentarium moeten uitbouwen een mijlpaal voor de academische verzamelingen. De collecties voor anatomie, fysiologie, natuurkunde, vroedkunde, scheikunde en natuurlijke historie moeten de kennis voor de studenten aanschouwelijker maken. Pas in tweede instantie en onder invloed van externe ontwikkelingen op het vlak van optica, energie en dynamica vullen de hoogleraren de kabinetten met demonstratiemodellen aan met eigen onderzoeksinstrumenten om wetenschappelijke experimenten uit te voeren in de laboratoria. In de faculteiten Wetenschappen en Geneeskunde werkt technisch personeel dat op aanwijzen van de hoogleraren nieuwe instrumenten of onderdelen ontwikkelt. In de kelders van de Gentse Plateau werken rond 1900 glasblazers, ijzersmeden en timmermannen. Tussen 1850 en 1950 is de groei en het succes van de verschillende laboratoria af te leiden uit het zich aanschaffen van wetenschappelijke uitrusting.

Black Boxes

De explosieve versnelling van de wetenschappen na de Tweede Wereldoorlog en de komst van elektrische meetapparatuur, rekenmachines en computers veranderen het uitzicht van de laboratoria en instrumenten. De functie van de instrumenten valt niet meer op het eerste of tweede zicht af te leiden uit hun vorm en de apparatuur is steeds sneller verouderd. De historische demonstratiemodellen verliezen hun functie en ze verdwijnen in kelders en zolders. Naoorlogse instrumenten die niet meer inzetbaar zijn, keren terug naar de werkplaatsen waar ze ontmanteld worden om hun onderdelen te recupereren. Zo komt het dat er in wetenschapsmusea en ook in het Gentse Museum voor de Geschiedenis van de Wetenschappen meer instrumenten uit de negentiende en begin twintigste eeuw te zien zijn, dan apparaten uit de naoorlogse periode.

Wetenschapsmusea

Wetenschapsmusea bestaan al van voor er wetenschapshistorici zijn omdat er duidelijk vraag naar was van het publiek. Ook de negentiende-eeuwse Gentenaar is erg geïnteresseerd in de academische collecties en elk jaar tijdens de zomerkermis stelt de universiteit op vraag van het stadbestuur de deuren van haar kabinetten open. Nochtans zijn de collecties dieren, planten, mineralen en instrumenten, die dus in de eerste plaats een demonstratierol vervullen voor de studenten, niet aantrekkelijk opgesteld. Het initiatief voor de oprichting van echte wetenschapsmusea die het publiek uitleggen wat wetenschap is, wordt vooral genomen door overheden die op die manier de nationale schatten en verwezenlijkingen tentoonstellen. Op een meer bescheiden niveau sticht Gent vlak na de Tweede Wereldoorlog een stedelijk museum voor de geschiedenis van de wetenschappen als afdeling van het Museum voor Oudheidkunde. De bezieler van het Museum is de hoogleraar Albert Van de Velde en daarna zijn zoon professor Jean Van de Velde. De universiteit springt de stad bij met onderhoud en personeel.

Museum voor Wetenschap en Techniek

In 1964 beslist de universiteit om het museum helemaal over te nemen en ze maakt bergruimtes vrij in de Korte Meer. Het ‘Museum voor Wetenschap en Techniek’ organiseert lezingen en tentoonstellingen en heeft een onderwijsondersteunende functie, vooral dan wat betreft het vak ‘Geschiedenis van de Wetenschappen’. In de grote bouw- en verhuisepisodes in de jaren 1960 en 1970 kan het museum verschillende instrumentenkabinetten redden van de afvalcontainer. In 1994 verhuist het museum, ondertussen zonder het aspect ‘Techniek’ en met de nadruk op de instrumenten, zelf naar de Sterre, waar de collectie in voormalige militaire loodsen kan worden ondergebracht. Deze extra opslagplaats is noodzakelijk om afgeschreven grote apparatuur als computers en een deeltjesversneller te kunnen onderbrengen en eventueel te repareren.

Instrumenten als bron voor wetenschapsgeschiedenis

De instrumenten in het Museum zijn de tastbare relicten van talloze denkprocessen en maken daarom deel uit van het culturele en wetenschappelijke patrimonium. Ze zijn van wetenschapshistorisch belang omdat ze inzicht geven in de evoluerende denkwereld van wetenschappers. Wetenschap ontstaat immers als constante wisselwerking tussen theorie en experiment. Om nieuwe theorieën te kunnen formuleren, zal de wetenschapper bestaande kennis analyseren, proefopstellingen bedenken en toestellen ontwerpen. In Gent zijn de plantkundige Mac Leod en wetenschapshistoricus Sarton in het begin van de twintigste eeuw grote voorstanders van wetenschapsgeschiedenis. Sarton zal het vakgebied tijdens het interbellum introduceren in de universiteit van Harvard, waar hij hoogleraar wordt. Naar hem noemt de Gentse universiteit in 1984 een jaarlijkse leerstoel voor Wetenschapsgeschiedenis.

De droom van een volwaardig wetenschapsmuseum

De historische collecties enerzijds en de eigen institutionele geschiedenis anderzijds doen universiteiten op geregelde tijdstippen, meestal naar aanleiding van een aankomend jubileum of een belangrijke mijlpaal, dromen van een eigen prestigieus museum. De Gentse universiteit kent deze episodes in 1892 bij de vijfenzeventigste verjaardag, in 1931 na de vernederlandsing, in 1964 in het vooruitzicht van de honderdvijfstige verjaardag en ook vandaag met de blik op 2017. De moeilijkheid voor zo’n museum is het vinden van eenheid in een gefragmenteerde collectie. Elke verzameling heeft een zeer specifieke ontstaansgeschiedenis: er zijn persoonlijke collecties van hoogleraren, overblijfselen van specifieke expedities, gebruiksinstrumenten van verschillende tijden en (sub)disciplines en stukken die wijzen op scharniermomenten in de wetenschap. De vraag is op welke manier deze collecties het best bewaard en gekoesterd kunnen worden en hoe ze het meest optimaal kunnen bijdragen tot onderzoek, onderwijs en wetenschapspopularisering.

[Fien Danniau]

Literatuur

Deel deze pagina: 
Aanmaken herinneringen toelaten