Meridiaanlijn

In het statige peristylium van de Aula ligt sinds 1838 een merkwaardige koperen lijn. De zonnestralen die vanuit een kegelvormig gat in het dak in de ruimte binnenschijnen, kruisen de meridiaanlijn precies op de middag. Dit soort middaglijnen werden over heel België aangebracht en waren nodig om tot een uniforme tijdrekening te komen. Het was de wetenschappelijke oplossing voor een praktisch en nationaal probleem. In Gent was er geen symbolischere plek om de meridiaanlijn te plaatsen dan het nieuwe feestpaleis van de universiteit, die ‘Tempel van de Wetenschap’.

Een uurregeling voor het Belgische spoornet

In 1837 rijdt de eerste trein onder klokken- en beiaardgelui Gent binnen via de onbebouwde Muinkmeersen achter de Sint-Pietersabdij. Het uitzicht op de Kuip van Gent met haar statige torens biedt de reizigers een onvergetelijke aanblik. De uitbouw van het spoorwegnet heeft grote gevolgen voor de Belgische tijdrekening. Op dat moment heeft elk dorp en elke stad zo een beetje zijn eigen tijdrekening op basis van zonnewijzers, wat het onmogelijk maakt de treinen ‘op tijd’ te laten rijden. De komst van een nationaal spoornet vereist een vaste tijdsopgave en dus een uniforme uurregeling. Bij koninklijk besluit van 22 februari 1836 beslist de Belgische regering om in Antwerpen, Gent en Luik ‘meridiaankijkers’ te plaatsen waarmee de astronomische middag kan worden berekend. De wiskundige Adolphe Quetelet krijgt de opdracht om deze uniforme tijdrekening te organiseren.

Adolphe Quetelet

Quetelet is op dat moment directeur van de Koninklijke Sterrenwacht van België, die op zijn eigen aansturen was opgericht in 1826. De Gentenaar is samen met Hippolyte Metdepenningen en Joseph Boddaert de eerste alumnus van de Gentse rijksuniversiteit en het prototype van de ‘nationale wetenschapper’. Gedurende zijn hele loopbaan stelt hij zijn wetenschappelijk werk ten dienste van de staat. Quetelet is geïnteresseerd in de ‘wetenschap van de samenleving’ en zal vooral bekendheid verwerven als statisticus. In 1836 is hij de geknipte man om de uniforme tijdrekening te organiseren.

Meridiaankijker

In een aantal grote steden laat Quetelet kleine observatoria bouwen die worden uitgerust met een meridiaankijker. Deze speciale telescopen zijn gefixeerd op de precieze noord-zuid as en laten toe om de lokale zonnetijd nauwkeurig te bepalen. De nationale tijd kan vervolgens worden afgelezen in vergelijkingstabellen. Voor de locatie van de Gentse meridiaankijker neemt Quetelet contact op met de universiteit. Het observatorium kan worden opgesteld in een gebouwtje boven het peristylium van de Aula van de universiteit en zal worden ontworpen door stadsarchitect Louis Roelandt. Joseph Plateau, een oud-leerling en vriend van Quetelet, helpt met de berekeningen en de plaatsing van de meridiaankijker en de mathematicus Timmermans zal instaan voor de waarnemingen. De universiteit heeft op dat moment nog geen eigen observatorium, hoewel het in 1817 van haar stichter Willem I wel al een spiegeltelescoop heeft gekregen. Het nieuwe observatorium kan behalve voor de meridiaankijker ook dienst doen voor de lessen sterrenkunde.

Meridiaanlijn

Behalve meridiaankijkers worden over het hele land in grote gebouwen zoals kathedralen en stations eenenveertig koperen meridiaanlijnen geplaatst. Het zonlicht, dat vanuit een opening in het dak van oost naar west binnenstraalt, kruist deze lijn op het moment van de ‘ware middag’, om twaalf uur zonnetijd. Deze middaglijnen zijn nauwkeuriger dan zonnewijzers en kunnen de middag tot op tien seconden precies bepalen. In 1838 krijgt ook de vestibule van de Aula zo een middaglijn. De koperen lijn is eenentwintig meter lang en loopt door de vestibule heen over de marmeren trap richting feestzaal. Vlak onder de koepel van het dak van de vestibule wordt een opening, een oculus, aangebracht, waardoor het zonlicht kan binnenstralen.

Een overbodig observatorium

Amper twee jaar na de installatie van de meridiaankijkers zijn ze alweer overbodig. De tijd wordt dan verspreid via klokken die op de treinen zelf aanwezig zijn en de komst van de telegraaf in 1840 maakt het mogelijk de tijd rechtstreeks vanuit Brussel door te seinen. Het observatorium boven de Aula wordt verlaten en slechts sporadisch gebruikt voor de praktijklessen sterrenkunde. In 1874 is het gebouwtje zo vervallen dat het stadsbestuur vreest dat losse stenen op voorbijgangers in de Voldersstraat zullen vallen. Ondanks de protesten van hoogleraar Dauge beslist de universiteit om het gebouwtje af te breken. Pas in 1907 zal de universiteit op het dak van het Instituut van de Wetenschappen, het Plateaugebouw, over een nieuw observatorium beschikken. In de jaren 1960 maakt de universiteit het gat in de koepel van de vestibule dicht: de meridiaanlijn heeft al lang geen functie meer.

Restauratie

Met de hulp van Armand Pien kan de Gentse Volkssterrenwacht het observatorium en de telescoop in de Plateau, die al lang niet meer voldeden voor wetenschappelijke waarnemingen, herstellen en in 1995 opnieuw in gebruik nemen. In 1998 wordt de koperen meridiaanlijn gerestaureerd en wordt op vraag van de hoogleraar sterrenkunde Herwig Dejonghe opnieuw een gat gemaakt in het dak, waardoor je van maart tot oktober de ‘ware middag’ van Gent kunt aflezen in de vestibule van de Aula. De resten van het observatorium zijn vandaag nog te zien vanop de hoek van de Voldersstraat en Sint-Niklaassstraat.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis
20 augustus 2010

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "Meridiaanlijn". UGentMemorie. Laatst gewijzigd 20.08.2010. www.ugentmemorie.be/artikel/meridiaanlijn

Literatuur

Deel deze pagina: