De lijdensweg van Henry van de Velde

De Blandijn is op architecturaal gebied niet het meest sprankelende gebouw van de Gentse universiteit. Het ziet er saai en grijs uit en er wordt in de wandelgangen al eens naar verwezen als zou het een Sovjetziekenhuis zijn. Nochtans was het oorspronkelijk een van de meest prestigieuze urbanisatieplannen van de universiteit. Maar de ontwerpen van Henry van de Velde botsen op geldgebrek, bureaucratie, wetgeving en een universiteit die sneller groeide dan er getekend kon worden.

Een nieuw complex naast de Boekentoren

In 1933 barst de universiteitssite van de Korte Meer uit haar voegen. Rector August Vermeylen geeft aan Henry van de Velde de opdracht om aanpalend aan de toekomstige bibliotheek en het HIKO op de top van de Blandijnberg twee nieuwe gebouwen te ontwerpen voor de Instituten voor Dierkunde en Farmacie. De architect zal uiteindelijk eenentwintig jaar werken aan de ontwerpen van deze aanbouw vooraleer hij in 1954 de handdoek ontgoocheld in de ring gooit. Maar in 1934 is iedereen nog vol goede moed. Met een prachtige maquette visualiseert Van de Velde een groots Blandijncomplex dat volledig geïntegreerd wordt in de omgeving.

Maquette van Van de Velde

Wie vandaag de maquette van Van de Velde bewondert in de hal van de universiteitsbibliotheek, ziet de twee Instituten als langgerekte vleugels, gescheiden door een brede doorgang. Van de Velde creëert zo een visuele trechter zodat de blik van de passant op het Sint-Pietersplein automatisch naar de monumentale Boekentoren op het einde van de doorgang wordt getrokken. De symmetrie van de vleugels herinnert ook aan het De Vreesebeluik, het arbeiderskwartier op de Blandijnberg, dat plaats heeft moeten ruimen voor de nieuwe universiteitsgebouwen. Het beluik had aan de kant van het Sint-Pietersplein twee symmetrische ingangen die elk werden overspannen door een versierde triomfboog.

Uitstel en wijzigingen

Van de Velde past zijn ontwerpen verschillende keren aan volgens de aanwijzingen van zijn opdrachtgevers. Maar zolang de Boekentoren en het HIKO niet voltooid – en betaald – zijn, stelt de universiteit de definitieve goedkeuring van de ontwerpen voor de instituten uit. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de universiteit andere plannen met het braakliggende terrein: niet de Instituten voor Farmacie en Dierkunde maar de faculteit Letteren en Wijsbegeerte zal een plek krijgen naast de nieuwe universiteitsbibliotheek. De 81-jarige Van de Velde zet zich opnieuw aan de tekentafel en laat zich vanaf nu assisteren door zijn leerling Eugène Delatte. De bouwprojecten van de universiteit worden na 1946 gecompliceerd door een nieuwe wet die stelt dat de universiteit voortaan toestemming nodig heeft van twee ministeries: Openbaar Onderwijs én Openbare Werken. Het Blandijnproject loopt hierdoor grote achterstand op. Een kwalijk neveneffect voor de architecten is dat de universiteit in de lange voorbereidingsperiode telkens haar richtlijnen bijstelt.

Van de Velde trekt zich terug

In 1954, de bouwplannen zijn dan al tot in detail uitgewerkt, vraagt de universiteit opnieuw een uitbreiding: het nieuwe rectoraat moet worden geïncorporeerd in het gebouw, er moet een parking komen op het terrein, het gebouw moet onderkelderd worden, zodat er kan geschuild worden bij luchtaanvallen, en het auditorium moet groter. Het ministerie voegt daaraan toe dat de auditoria volgens het nieuwe cinemazaalprincipe moeten worden gebouwd zodat ze makkelijker gereinigd kunnen worden. Er mogen ook geen glaspartijen komen in de trappenhallen, er hoeft geen extra binnentuin te zijn en het gebouw mag in geen geval in gewapend beton worden opgetrokken zoals de Boekentoren. Amper tien jaar na de bouw takelt het beton daar immers al af als gevolg van insijpeling van water en begint het metalen skelet te roesten. Niet geheel onverwacht trekt de 91-jarige Van de Velde zich ontgoocheld terug uit het project. Hij geeft zijn poulain Delatte zijn zegen om het gebouw opnieuw te tekenen.

Start van de bouwwerken

Delatte tekent samen met de professoren Cerulus en Cloquet een nieuw ontwerp voor het faculteitsgebouw. Dat hoeft niet langer het rectoraat te herbergen omdat de universiteit daarvoor het gebouw van de voormalige Union Cottonière aan de voet van de Sint-Pietersnieuwstraat heeft aangekocht. Het gedeelte aan de Blandijnberg en de Sint-Pietersnieuwstraat wordt vanaf 1957 als eerste gebouwd, omdat de groeiende universiteit dringend nood heeft aan nieuwe auditoria. De vleugel telt drie verdiepingen en is opgetrokken in geglazuurde kleitegels. De overdekte ingang is een van de weinige architecturale bijzonderheden van het gebouw. In 1960 starten de bouwwerken aan de vleugel in de Sint-Amandsstraat. Verspreid over zeven verdiepingen komen daar professoren- en assistentenlokalen en kamers voor de seminariebibliotheken. In datzelfde jaar nemen de eerste vakgroepen hun intrek in het gebouw.

Een architecturale grijsaard

Het uiteindelijke resultaat van bijna dertig jaar plannen aan het Blandijncomplex is geen toonbeeld van architecturale integratie. Het HIKO, de vleugel in de Sint-Amandsstraat en de voorkant in de Blandijnbergstraat zijn opgetrokken in verschillende materialen, waardoor de eenheid zoek is. Het zicht op de gebouwen van op het Sint-Pietersplein wordt verstoord door een voorliggend kantoorgebouw. Maar al gauw blijkt dat het faculteitsgebouw geen prestigieuze parel moet zijn om een belangrijk centrum te worden van de universiteit. De studenten en personeelsleden van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte zorgen voor de kleurrijke animo.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis UGent

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "De lijdensweg van Henry van de Velde." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 23 september 2016. www.ugentmemorie.be/artikel/de-lijdensweg-van-henry-van-de-velde

Literatuur

Deel deze pagina: 
Aanmaken herinneringen toelaten

Herinneringen

Gaston Eysselinck is niet enthousiast over de maquette van Van de Velde

‘Veel bezoekers zullen zich beslist vergissen alswanneer zij vanuit de richting Sint-Pietersplein naar de bibliotheek willen, want daar schijnt een ingang te zijn langs een zoogezegde laan, en die laan brengt u nergens. Ik geloof dat daar menig bezoeker een kilometer verloren weg zal aftrappen en dat men daar menig maal zal vloeken, want verduiveld de achtergevel is de voorgevel geworden zonder ingang.’

(Gaston Eysselinck, architect, bij de voorstelling van de maquette van de universiteitsbibliotheek en de Blandijn in december 1934)

uit: G. Eysselinck, ‘De Gentse Universiteitsbibliotheek’, Eysselinck-archief, december 1934.