Campusmodel

De Sterre is een ‘greenfield’ campus. Dat is een modelsite die verschillende Europese universiteiten in de jaren 1960 en 1970 ontwikkelen om de wetenschaps- en studentenboom op te vangen. Typisch is het monofunctionele karakter – de site herbergt enkel de licenties/masters en de laboratoria van de faculteit Wetenschappen – en de geïsoleerde, groene ligging buiten het stadscentrum. Ook de sites van de faculteit Dierengeneeskunde in Merelbeke en het Instituut voor Nucleaire Wetenschappen in de Proeftuinstraat die in dezelfde periode gebouwd worden, zijn zogenaamde ‘greenfield’ campussen.

Geen campusuniversiteit

Toch is de Gentse universiteit geen campusuniversiteit. Dat universiteitsmodel waarbij alle gebouwen en faciliteiten op dezelfde grote site zijn gelegen en waar studenten en professoren ook wonen en leven, is een typisch Angelsaksisch fenomeen. In Gent is het nooit de bedoeling geweest om de volledige universiteit op hetzelfde terrein te bouwen. Zelfs in de jaren zestig, als de universiteit zich op grote terreinen buiten de stadsrand vestigt, is er geen plan om zo’n campussysteem uit te bouwen. Volgens de toenmalige rector Lambrechts had dat geen zin: professoren en studenten wonen toch in de buurt of pendelen naar de universiteit. Het verwijderen van de universiteit uit het stadscentrum zou bovendien een grote verarming betekenen van het stedelijk intellectuele leven.

Een stadsuniversiteit

De Gentse rijksuniversiteit is van bij haar stichting in 1817 volledig verweven met de stad. Aanvankelijk vestigt de universiteit zich in verschillende bestaande gebouwen in het stadscentrum, vooral in voormalige kloosters en scholen. De enige nieuwbouw is de Aula, het prestigieuze ‘Paleis van de Universiteit’, dat het symbolische en geografische middelpunt wordt van de universiteit. In de tweede helft van de negentiende eeuw moet de universiteit uitkijken naar nieuwe terreinen in de stad om de groei van het aantal studenten en de uitbreiding van de wetenschappen onderdak te kunnen bieden. Uit deze periode dateren het Guislaininstituut, het Plateaugebouw, het Laboratorium voor Toegepaste Mechanica in de Petroolstraat, het Botanisch Instituut aan het Citadelpark en de uitbreiding van de Bijloke. Tot aan de Tweede Wereldoorlog kan de universiteit zich redden door deze nieuwe sites telkens uit te breiden.

Op zoek naar ruimte

Na de Tweede Wereldoorlog moet Gent net als heel wat andere Europese universiteiten op zoek naar ruimte voor nieuwe gebouwen. Dat komt omdat de studentenbevolking exponentieel stijgt, het professorenkorps en het wetenschappelijk personeel uitbreidt en de nieuwe specialisaties binnen de faculteit Wetenschappen grotere laboratoria nodig hebben. In Gent volstaat het niet om de bestaande sites binnen de stadsring uit te breiden – de onteigeningen zouden te veel kosten – en wijkt de universiteit uit naar de zuidelijke stadsrand. Van een ambitieuze nieuwe bouwpolitiek van de universiteit of de stad is op dat moment geen sprake: de financiële moeilijkheden na de oorlog verplichten de universiteit om pragmatisch te werk te gaan en enerzijds de site rond de Sint-Pietersnieuwstraat zo optimaal mogelijk te benutten en anderzijds de ruimte te aanvaarden die de overheid kan aanbieden.

De Sterre voor de wetenschappen

Aan het begin van de jaren zestig slaagt rector Gillis erin de overheid te overtuigen om de militaire oefenterreinen in het zuiden van de stad, een terrein van 2,5 hectare op de grens van Gent en Zwijnaarde, te gebruiken voor een nieuwe site voor de licenties van de faculteit Wetenschappen. Deze faculteit, waar op dat moment ook nog de Speciale Scholen van de ingenieurs zijn ondergebracht, is decennia lang het zorgenkind van de gebouwendienst van de universiteit. De evolutie in de wetenschap en het stijgende studentenaantal zijn hier het scherpst voelbaar en de faculteit zit gevangen in het keurslijf van het Plateaucomplex. Een eerste uittocht vindt plaats in 1961 als het nieuwe gebouw voor de kandidaturen aan de Ledeganck in gebruik wordt genomen. In 1965 periode kan het Instituut voor Nucleaire Wetenschappen haar eigen gebouw betrekken in de buurt van het UZ en in hetzelfde jaar verhuizen de eerste vakgroepen naar De Sterre. Daar verrijzen uiteindelijk vijf grote blokken, het stervormige S8-gebouw en verschillende schuren, loodsen, werkplaatsen en bijgebouwen.

Op zoek naar cohesie

De onderzoeks- en onderwijssite wordt in de loop van de jaren aangevuld met allerlei faciliteiten voor personeel en studenten. Vlakbij de Sterre en het Academisch Ziekenhuis bouwt de universiteit in 1966 Home Astrid en Home Boudewijn en sinds 1971 kunnen de studenten en het personeel van de Sterre terecht in een eigen studentenrestaurant. Net als de andere gebouwen die de universiteit in de jaren 1960 en 1970 bouwt, primeren snelheid, prijs en functionaliteit boven architecturale klasse of stedelijke integratie. De grijze monolieten versterken het isolement van de Sterre en er is, anders dan in de sites in het stadscentrum, nauwelijks sprake van een sprankelende stedelijke of studentikoze omgeving. Het verklaart waarom studenten op het einde van de jaren 1990 niet staan te springen voor de bouw van een nieuw, modern home bij de Sterre. Maar de universiteit moet opnieuw plooien naar de hoogdringendheid en de financiële en ruimtelijke beperkingen. Home Bertha De Vriese, genoemd naar de eerste vrouwelijke arts die afstudeerde aan de Gentse universiteit, heeft uiteindelijk wel een veel menselijker en groener uitzicht gekregen dan haar voorgangers.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis
24 augustus 2010

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "Campusmodel". UGentMemorie. Laatst gewijzigd 24.08.2010. www.ugentmemorie.be/artikel/campusmodel.

Literatuur

Deel deze pagina: