Baudelooplantentuin

Gent heeft de Plantentuin te danken aan haar aanhechting bij de Franse Republiek. Als het nieuwe rijk in 1797 beslist Centrale Scholen op te richten in alle Departementshoofdplaatsen, moet het stadsbestuur op zoek naar een geschikte locatie. De school heeft niet alleen leslokalen en slaapvertrekken nodig maar ook een bibliotheek en een plantentuin. In deze nieuwe staatsscholen zal de nadruk namelijk liggen op natuurwetenschappen en zelfstandige studie in plaats van op Latijn en godsdienst.

Een collectie voor de Baudeloosite

Het Gentse stadsbestuur vindt in de voormalige Baudelooabdij een geschikte site voor de school. De kale moestuin kan worden beplant en ingericht als een volwaardige plantentuin. Geen eenvoudige klus, want de stad heeft geen geld om planten aan te kopen. Dokter Bernard Coppens, de toekomstige leraar natuurwetenschappen en plantkunde van de Centrale School en directeur van de nieuwe Plantentuin, neemt het werk ter harte. De eerste planten van de tuin zijn afkomstig van geconfisqueerde abdijen uit de omgeving: sinaasappelbomen, laurieren, olijfbomen, mirthestruiken en twee dwergpalmen uit de abdij van Oudenaarde en een buxus uit de tuin van de Gentse kapucijnen. Verscheidene bevriende tuinen, onder andere die van Parijs, bezorgen zaden en planten aan de nieuwe plantentuin. Een groot gedeelte van zijn plantenbestand krijgt de tuin bij elkaar met de hulp van de Gentse amateurkwekers en hoveniers. Het kweken van exotische planten was een geliefd tijdverdrijf in Gent en het vooruitzicht van een wetenschappelijke plantentuin schenken de Gentenaars de planten die ze dubbel hebben, graag aan dokter Coppens.

Inrichting

Nu de Plantentuin over een collectie beschikt, kan hij worden ingericht. Coppens en stadsarchitect Jean Baptiste Pisson delen in 1800 de tuin in vier zones in. De eerste is een systematische sectie met tientallen perken waar de planten geordend worden volgens het classificatiesysteem van de Zweedse botanicus Linnaeus. De tweede zone wordt ingericht als Engelse landschapstuin, waar wandelaars langs kronkelende paden kunnen kuieren voorbij sierbomen, gazons, beelden en bustes. In de derde zone groeien de groenblijvende bomen en staat de woning van de hortulanus, de eerste hovenier. De laatste zone in het westen van het terrein is voorbehouden aan de oranjerie en broeikassen. De werken zijn voltooid in 1808 maar al gauw zal blijken dat het onderhoud van serres en broeikassen een voortdurende zorg zijn voor een plantentuin. De Plantentuin, of Kruidtuin zoals de Gentenaars hem noemden, breidt in de loop van de volgende decennia nog uit met een sectie voor zeshonderd fruitbomen, een wintertuin, heideplanten, een vijver en een waterbassin.

Schooltuin, stadstuin en universiteitstuin

In 1804 doekt Napoleon de Centrale School op. Hoewel hij nog maar enkele jaren bestaat, is het Gentse stadsbestuur gehecht aan de Plantentuin en ze neemt het beheer over. Hoewel hij niet langer verbonden is aan een onderwijsinstelling, is de tuin nog steeds nuttig: voor de studenten van de ‘Ecole de médecine, de chirurgie, d’accouchement et de pharmacie’, voor de tuinders die er gratis openbare lessen plantkunde volgen en voor de vele Gentenaars die er wandelen. Naarmate de reputatie van de tuin groeit, ontvangt hij meer giften – wat opnieuw afstraalt op zijn faam.
De overdracht van de Zuidelijke Nederlanden aan de Nederlanders in 1815, luidt een nieuwe episode in voor de Kruidtuin. Koning Willem I opent in Gent een rijksuniversiteit en daar hoort een wetenschappelijke plantentuin bij. De nieuwe universiteit krijgt het vruchtgebruik van de Gentse stadstuin, maar moet zelf instaan voor het onderhoud. Een regeling die beide partijen bekoort: de stad behoudt haar prestigieuze park en is verlost van de financiële onderhoudslasten, en de universiteit moet voor haar onderzoek en onderwijs geen nieuwe plantentuin uit de grond stampen. De noodzakelijke herstellingswerken aan de serres en de bouw van de nieuwe oranjerie worden betaald door de staat. Voortaan wordt de Plantentuin beheerd door de directeur, die tevens de professor in plantkunde is, bijgestaan door de hortulanus. 

Succes

De voorspoed van de Plantentuin in het begin van de negentiende eeuw is in grote mate de verdienste van zijn beschermheer Karel Van Hulthem en van Jan Mussche, de hortulanus die de tuin dertig jaar onder zijn hoede heeft. Hij is de verbindingsagent tussen de wetenschappers en de Gentenaars. ‘Il est l'oracle de tous les jardiniers des environs qui viennent le consulter et qui l'appellent leur père,’ zegt Van Hulthem over hem. Bij Mussche in de Kruidtuin kunnen tuinders en telers terecht voor advies en wetenschappelijke achtergrondinformatie. De hortulanus verzamelt ook de gegevens voor de catalogi van de Plantentuin. Deze catalogi zijn onontbeerlijke instrumenten voor zo’n plantentuin: ze maken het mogelijk zaden en planten te ruilen met andere tuinen, ze leggen relaties tussen planten bloot en dragen bij tot de plantkunde. 

Een kwetsbare tuin

Maar het persoonlijke engagement van de hortulanus en de beschermheer bezorgt de Plantentuin niet alleen succes. Het maakt hem ook kwetsbaar. Wanneer Mussche lange tijd ziek is, gaat de tuin zienderogen achteruit. Zeldzame exotische planten verdwijnen om enkele maanden later op te duiken op de bloemenmarkten. In de woelige overgangsperiode naar het Belgische bewind vlucht de buitenlandse directeur en overlijden Mussche en Van Hulthem. Met hen verdwijnt de goede reputatie van de Plantentuin en kent het wetenschappelijk onderzoek een inzinking. Hoewel in de toekomst andere duo’s hun schouders onder de Plantentuin zullen zetten, zal hij zich nooit meer kunnen meten met andere toptuinen in Europa.
De werking van de Plantentuin wordt vanaf de jaren 1840 gehypothekeerd door de slechte staat van de broeikassen en het voortdurende conflict tussen universiteit en stad over wie moet instaan voor de herstellingswerken. Vijftig jaar van dispuut zullen uiteindelijk resulteren in de verhuizing van de Plantentuin naar het zuiden van de stad, op de plek van de oude Citadel.

[Fien Danniau]

 

Literatuur

  • Dirk Antrop, André Capiteyn en Johan Decavele (red.), De groene stad, Zwolle, 2005 (Gent van toen en nu: ons erfgoed, 7).

  • Bartel Bruneel en Bert Bothuyne, De transformaties van de Baudeloo-site tussen 1792 en 1830: een onderzoek aan de hand van vier respresentatieve situaties, Gent, 2005 (onuitg. masterscriptie).

  • René De Herdt, ‘Van Kruidtuin tot Universitaire Plantentuin: historische sleutelmomenten’, in: Ronald Viaene (red.), 200 jaar Plantentuin Gent, Gent, 2000, pp. 15-47.

  • René De Herdt, ‘De Gentse Floraliën. Parel van de sierteelt’, in: René De Herdt en Patricia De Corte, Fine Fleur: Gentse Floraliën en bloemsierkunst, Tielt, 2005, pp. 48-89.

  • René De Herdt, Ronald Viane en Lucien Debersaques, ‘Sierteelt in Vlaanderen’, in: Gentse floraliën (1808-2008). Volume 1: History in Flowers, Tielt, 2008, pp. 147-310.

  • Luc Devriese, ‘De Baudelohof. Een zeldzaam historisch stukje stadsgroen wacht op herwaardering’, in: Snep!, 2 (2003), pp. 48-54.

  • Michel Thiéry, Bij de 150e verjaring van de Plantentuin der Universiteit van Gent (1797-1947), Gent, 1947.

  • Paul Pas, Alfons De Belie en Patrick Malengreaux, De Wase en Gentse Boudelo-abdij, van paleis in de moerassen tot eiland in de Waterwijk, Belsele, 1998.

  • Johan Vandenhoute, Beatrix Baillieul en Geert Van Doorne, Gent, groen van nu en toen: historische tuinen van de Middeleeuwen tot nu, Gent, 1982.

Deel deze pagina: 
Aanmaken herinneringen toelaten

Herinneringen

Jos Knight ziet enkel rommel in de Gentse Plantentuin

‘Er is in Gent een Plantentuin, die meer op oude rommel dan op nieuwigheden kan bogen.’

 (Jos Knight, Engelse kweker, midden 19de eeuw)

Uit: Michel Thiery, Bij de 150ste verjaardag van de Plantentuin der Universiteit Gent (1797-1947) (Gent: Snoeck,Ducaju, 1947) 29.

F.P. Cassel blikt terug op zijn tijd als eerste hoogleraar Plantkunde in Gent

‘Want Gij hebt gewild, dat ik aan de Universiteit van de bloemenlievende stad, in de Scientia ambities zou onderwijs geven. En in het beroemde Gent vond ik een plantentuin, rijk aan schatten uit alle landstreken; ook inwoners , die de cultus van Flora volledig zijn toegedaan, zodat, wie de plantkunde bemint, moeilijk een plaats kan vinden, die gunstiger is dan deze stad.”

(F.P. Cassel, eerste hoogleraar Plantkunde van de Gentse universiteit in 1817-1819/20)

Uit: Franciscus Petrus Cassel, Morphonomia botanica, sive observationes circa proportionem et evolutionem partium plantarum (Keulen: DuMont-Schauberg, 1820) s.p..

Nederlandse vertaling uit Michel Thiéry, Bij de 150e verjaardag van de Plantentuin der Universiteit Gent (1797-1947) (Gent: Snoeck, 1947) 27.

De burgemeester van Gent pronkt in 1802 met de publieksaandacht van de Plantentuin

'Plus de six mille individus des familles végétales, remplissent le Jardin Botanique et les serres qu’on y a construites. Tous les cultivateurs du pays, déjà très avancées dans la connaissance des plantes et arbres exotiques, qui peuvent utilement s’appropier (sic) au sol et au climat, affectionnent ce jardin recourrent (sic) à lui, ou l’enrichissent.’

(Burgemeester van Gent Joseph Sébastien della Faille d'Assenede in een brief uit 1802 aan de Franse prefect Roederer)

Uit: Rijksarchief Gent, Fonds Scheldedepartement, 3128/76.

Een toeristische gids uit 1857 noemt de Plantentuin de aangenaamste wandelplaats van Gent

‘Deze hof is de aangenaamste en bevalligste wandelplaats van Gent, waer kunst, wetenschap en smaeck zich vereenigen; waer de stille wandelaer zich in ’t beschouwen der schoone natuur kan verlustigen, en de beoefenaer der kruidkunde zijne studie voortzetten en zijne kennis uitbreiden (...).' '... Met eenen schat van zeldzaamheden, vereenigt deze hof eenen sierlijken aenleg en wysselijke verdeeling: in verschillende afdelingen bevat hij eene kwekerij van allerlei vruchtbomen, van alle soorten van inlandsche en titanische gewassen, planten en kruiden, en heeft hij allen voor het behoud der zeldzame planten onmisbare inrichtingen.

(J.J. Steyaert in zijn toeristische gids voor Gent uit 1857)

Uit: Joducus Johannes Steyaert, Volledige Beschryving van Gent of Geschiedkundige beschouwing van deze stad en hare bewooners (Gent: Van Doosselaere, 1857).

Karel Van Hulthem herinnert zich hoe hortulanus Mussche de Plantentuin redde in 1804

‘Toen deze tuin gevaar liep samen met de ‘Ecole Centrale’ te verdwijnen, redde hij dien door zijn vindingrijkheid en zijn kennis van het Latijn. Er was immers in 1804 het bevel gegeven de serreplanten te verkopen. Mussche moest de tuin versieren voor een laatste bezoek van de Napoleon; hij schikte de “veroordeelde” serreplanten rondom een fraaie Banaan, die voor de keizerlijke residentie La Malmaison was bestemd, en aan de voet van de Banaan schreef hij op een plankje volgens vers, dat hij zich uit de lectuur van Latijnse auteurs herinnerde: “Cui me moribundam deseris, hospes?” (Aan wie laat gij mij stervend over, gastvrouw?). Keizerin Joséphine de Beauharnais begreep; de Banaan verhuisde niet naar la Malmaison, de serreplanten niet verkocht, de tuin was gered.’ (29)

(Karel Van Hulthem, Gents politucus en mecenas van kunst en wetenschappen aan het begin van de 19de eeuw)

Uit de mémoires van Van Hulthem, post mortem gepubliceerd in 1837, geciteerd en vertaald in: Michel Thiéry, Bij de 150e verjaardag van de Plantentuin der Universiteit Gent (1797-1947) (Gent: Snoeck-Ducaju, 1947), 29.